Carrington

Dinsdag 5 november 2019 20:00 uur

Regie en scenario: Christopher Hampton met: Emma Thompson (als Carrington), Jonathan Price (als Lytton Strachey), Steven Waddington, Rufus Sewell, Samuel West, Penelope Wilton; 1995, 120 minuten, Land: Verenigd Koninkrijk (en Frankrijk), Taal: Engels

De Britse schilderes Dora Carrington en de schrijver Lytton Strachey waren tussen 1918 en 1940 kleurrijke figuren in Engelse kringen van kunstenaars en intellectuelen. Ze behoorden tot de in de voor de oorlog invloedrijke Bloomsbury Group, met o.a. de schrijvers Aldous Huxley, Virginia Woolf en E.M. Forster, de dichter T.S. Elliot, de econoom John Maynard Keynes en andere Britse beroemdheden. De mannelijke leden van de Bloomsbury Group hadden elkaar ontmoet aan de universiteit van Cambridge. Met hun vrouwelijke aanhang (universitair opgeleide vrouwen waren schaars in die dagen) kwamen zij bijeen op verschillende adressen in de sjieke Noordwest-Londense wijk Bloomsbury.

De Bloomsbury Group wordt in Engeland wel gezien als een “intellectuele aristocratie”. Zij vormden een voor het grote publiek ongrijpbare voorhoede van vrijdenkers die buiten de puriteinse maatschappij van hun tijd stonden. Hun soms los-vaste relaties werden met een mengsel van afkeuring en jaloezie bekeken. Deze nu wat gedateerde maar ontegenzeggelijk nog steeds intrigerende club van intellectuelen bepaalt de sfeer in de biografie van schrijver, criticus en Bloomsburylid Lytton Strachey (1880–1932), geschreven in 1967 door Michael Holroyd. Deze biografie was het uitgangspunt voor de film Carrington van regisseur Christopher Hampton. In de film speelt Strachey met zijn complexe persoonlijkheid een belangrijke rol. Toch ontleent de film zijn naam aan Dora Carrington (1893–1932), een niet onverdienstelijke schilderes die (niet ongewoon in de masculiene tijdgeest van haar dagen) minder als kunstenares dan als lid van de Bloomsbury Group de geschiedenis in is gegaan. Pas vijftig jaar na haar zelfgekozen dood kwam er waardering voor het werk van Dora Carrington. In 1978 noemde de directeur van de Londense Tate Gallery haar “de meest over het hoofd geziene schilder van haar tijd”. Carrington liet haar voornaam achterwege en noemde zich (heel onvrouwelijk in die tijd) bij haar achternaam.

Door de hele film heen is het verhaal ondergeschikt aan de sfeertekening van een decadent milieu waarin een groep intellectuele bohemiens zich zo weinig mogelijk van maatschappelijke conventies aan probeert te trekken (maar er uiteindelijk niet altijd aan kan ontkomen). Centraal staat de complexe relatie van Strachey en Carrington, hij een van de weinige openlijk homoseksuele mannen in het Engeland van toen, zij een zich naar mannelijk voorbeeld kledende vrijgevochten vrouw. Hun relatie is platonisch, maar daarom niet minder intens. Ook als zich aan weerszijden minnaars aandienen, blijven Strachey en Carrington elkaar op hun eigen, onnavolgbare manier trouw. Ook als Carrington een seksuele verhouding met een militair, Ralph Partridge begint, blijft Strachey welkom als huisvriend, iets waar Partridge zich ongemakkelijk bij voelt. Toch is het niet alleen de seksuele oriëntatie van Strachey die hem tegenstaat, maar vooral diens keuze om in de Eerste Wereldoorlog als gewetensbezwaarde uit het leger te blijven. Aan het eind van de film, als Strachey in 1932 bezwijkt aan maagkanker (zijn laatste woorden zijn: “als dit doodgaan is, vind ik er niet veel aan”) volgt Carrington hem door met een geleend jachtgeweer zelfmoord te plegen.

Op het festival van Cannes kreeg Jonathan Price de prijs voor “beste acteur” voor zijn vertolking van Lytton Strachey.